|
Kriebelbeestjes |
||||
Wij hebben een geweldig schoolplein! Veel bomen, veel groen, veel gaten en holletjes. Vooral in de lente zijn hier dan ook erg veel beestjes te vinden. De kinderen van groep 1-2b nemen ze graag mee naar binnen om ze daar verder te gaan bestuderen. De interesse voor allerlei kleine beestjes was zo groot, dat we er maar een thema omheen breiden. |
||||
Er waren een aantal beestjes die ik in elk geval de revue wilde laten passeren. Lieveheersbeestjes, rupsen en vlinders en bijen. En ik wilde de kinderen leren wat een insect nu eigenlijk is. Op het web vond ik een heleboel leuke en interessante ideeën. Ik heb ze geordend per beestje en ben begonnen met een paar activiteiten rondom insecten algemeen. Het grappige was dat juf Jennifer van Dulmen van de Lispeltuut in Hedel op precies hetzelfde moment ook over kriebelbeestjes ging werken met haar groep. We hebben heel wat heen en weer gemaild. Ik bedank Jennifer dan ook bijzonder voor haar bijdrage aan dit thema!
Liedjes en versjes Er zijn over alle kleine beestje een heleboel liedjes en versjes te vinden. Wij hebben er ook velen opgezegd en gezongen. Omdat het allemaal vrij bekende liedjes en versjes zijn, zal ik ze niet allemaal hier neerzetten. Per beestje noteer ik het liedje/versje dat groep 1-2b het leukste vond.
Vlug naar... Spel / Insecten algemeen / Lieveheersbeestjes / Rupsen en vlinders / Bijen / Afsluitende activiteiten / Foto's
|
||||
Beestjes-kijktafel Ik de klas
maakten we een beestjes-kijktafel. Er was ruimte voor de volgende
beestjes. -
Rupsen: een kleine aquariumbak, met
bijvoorbeeld gaasdoek eroverheen, zodat de rupsen er niet uit kunnen.
Zet hier twee takjes in, zodat de rupsen ergens tegenaan kunnen klimmen
als ze zich gaan verpoppen. Leg er blaadjes in van de plant of de boom
waar de kinderen de rups hebben gevonden .Voorzichtig, veel rupsen eten
brandnetels. Maak de blaadjes vochtig een bewaar ze in de koelkast of
zet een paar takken met blaadjes eraan in water in de bak. -
Pissebedden: een kleine aquariumbak, of een grote pot. Doe
hier aarde en stenen in. Leg er wat verschillende plantjes in
en stukken aardappel. Spuit elke dag even met de
plantenspuit en zet ze niet in de volle zon. -
Lieveheersbeestjes: ook in een
kleine aquariumbak. Doe er een laagje zand in en zet er veel takjes en
plantjes neer. Watjes gedrenkt in honing kunnen als voedsel dienen, maar
liever eten ze natuurlijk bladluizen. - Mieren: in een bak of pot met aarde en zand. Leg hier blaadjes in. Mieren hebben het druk. Ze zullen ook niet graag in gevangenschap blijven. Het is handig om daarom elke dag wat andere mieren te vangen. -
Wormen:
Wormen zijn geen insecten. Ze zijn wel makkelijk te vinden en dus is het
misschien leuk om ze in de klas erbij te hebben. Wijs de kinderen met
oog op het feit dat wormen dit dus niet zijn! Houd ze in een bak
of pot met aarde en zand. Houd de grond goed vochtig. - Vliegende diertjes: Bijen, vliegen, wespen en andere dieren die meer vliegen dan lopen laten we met veel poespas weer vrij. Zij kunnen niet binnen blijven. HoutsnippertafelIn de zandtafel deden we houtsnippers. Kinderen konden hier plastic insecten in verstoppen. |
||||
Hoe
ziet een insect eruit? Eerst
tekenen we gezamenlijk een insect (kinderen noemen op, leerkracht
tekent). Heeft het een hoofd, welke vorm heeft het, heeft het oren,
ogen, een mond, een neus? Hoe ziet zijn mond eruit? En zijn ogen? Heeft
het benen, hoeveel? Heeft het vleugels? Enz. Als de tekening af is,
bekijken we ‘m. Dat ziet er vast bijzonder uit. Hoe zullen we dit
insect noemen? Later op de dag (in de week), als we meer weten van
insecten, bekijken we ‘m nog eens om te zien of het klopt. Wat
is een insect? Insecten
hebben altijd 6 poten en een
lijf wat is opgebouwd uit 3
delen: hoofd, borst en onderlichaam. Lees een boek voor waarbij de
kenmerken van een insect naar voren komen. Maak
een tweede tekening (wij deden dit aan het einde van het thema) en
vergelijk de twee tekeningen. Wat zijn de verschillen? En de
overeenkomsten? We
worden zelf een groot insect! -
Drie kinderen vormen het lijf van een insect: het hoofd (kind
zittend met opgetrokken benen, armen om de benen en hoofd naar beneden),
de borst is altijd het langste gedeelte van een insect ( kind zittend
met gestrekte benen en hoofd naar beneden) en het onderlichaam (kind
zittend zoals het eerste kind) -
Zes kinderen vormen de poten. Ze komen op handen en voeten naast
het middelste kind zitten (3 aan elke kant), met hun gezicht naar het
middelste kind toe. -
Nu hebben we de voelsprieten nodig. 2 kinderen komen voor het
voorste kind staan met gestrekte armen -
Veel insecten hebben vleugels. 2 kinderen gaan voorovergebogen
naast het borststuk staan met hun armen vooruit gestrekt. -
Maak een foto van het insect! - Laat vervolgens een tweede groep kinderen laten zien hoe snel zij een insect kunnen maken net zoals de eerste. Dit was een geweldige activiteit! Alleen bleek, toen ik mijn fototoestel wilde pakken dat het ding voor het eerst sinds tijden NIET in mijn tas zat! Wat was dat balen zeg, want het was echt een superles! Wel
of geen insect? Noem
wat beestjes op die of wel, of geen insect zijn. Als het een insect is,
mogen de kinderen 1 keer opspringen als een sprinkhaan. Als het geen
insect is, blijven ze zitten en schudden ze hun hoofd. Voorbeelden
van insecten: Bij,
sprinkhaan, lieveheersbeestje, vlieg, mug, wesp, mier, tor, worm,
schorpioen,…. Voorbeelden
van niet-insecten: Spin,
kikker, mens, koe, olifant, nijlpaard, krokodil, hagedis, kat, hond,
beer,…. Op
insectenjacht! Zorg
van tevoren voor potjes, bakjes, loepen, stokjes, e.d. Omdat
de kinderen nu zo goed weten wat insecten zijn, gaan we op
insectenjacht. Spreek met de kinderen af hoe ze met de insecten om gaan.
Niet knijpen, voorzichtig oppakken (bijvoorbeeld met een stokje) en als
je een insect niet herkent, eerst de juf erbij roepen, misschien is het
een gevaarlijk insect. Terug
in de klas kunnen alle insecten bekeken worden en kunnen ze een plekje
krijgen op de beestjes-kijktafel. Verstoppertje Van
te voren verstop je overal op de speelplaats plastic insecten. In de
klas vertel je de kinderen dat ze verstoppertje gaan spelen. De insecten
hebben zich verstopt en zij gaan zoeken. Vertel de kinderen hoeveel
insecten er verstopt liggen en dat ze maar 1 insect mogen zoeken. Als ze
hun insect gevonden hebben komen ze naar een vooraf afgesproken
ontmoetingsplaats. Om “niet eerlijk” te voorkomen kunnen er ook
groepjes van 2 of 3 kinderen worden gemaakt die samen zoeken naar 1
insect. Als alle kinderen weer bij elkaar zijn, bespreken we
waar ze de insecten gevonden hadden. Waren ze makkelijk of
moeilijk te vinden? Waarom? Schrijf de antwoorden op. Camouflage Sommige
insecten waren moeilijk om te vinden. Dit komt door camouflage. Als iets
dezelfde kleur heeft als de omgeving, kun je het bijna niet zien. Dit
heet camouflage. Insecten kunnen zich zo goed verstoppen voor andere
dieren die ze op willen eten, of voor kinderen die ze willen vangen! Niet
alleen insecten gebruiken camouflage. Mensen soms ook. Soldaten in het
leger bijvoorbeeld. We
gaan zelf insecten maken die we buiten gaan verstoppen. Als de diertjes klaar zijn, verstopt iedereen zijn eigen beestje ergens buiten. Dan gaan we met elkaar zoeken! Bang Houd
met de kinderen een kringgesprek over "enge" beestjes. Veel
kinderen zijn bang voor zulke kleine diertjes. •
Begin het gesprek met de verschillen in verhouding tussen mens en
kriebelbeestje. •
Neem een kleine plastic vorm van een beestje (bv. een spin) en
laat die in de kring rondgaan. Ieder kind mag het plastic diertje even
vasthouden. •
Een kind mag plaatsnemen in het midden van de kring. Laat de
plastic spin zien en zet hem op de grond naast het kind. Zien alle
kinderen goed hoe groot zij zelf zijn en hoe klein de spin is? Hoe komt
het dan dat we toch een beetje bang zijn voor spinnen? Laat de kinderen
vrij reageren. Waarschijnlijk zullen de meesten zeggen dat de spin er
eng uitziet en dat hij kriebelt als hij over je hand loopt. Vergelijk
een spin met een lieveheersbeestje. Dat kriebelt toch ook als je het
over je hand laat lopen? •
Stop deze materialen in een doos (zonder dat de kinderen het
zien): een gladde steen, een ruwe steen, een klein bolletje wol, een
lange losse woldraad en iets van piepschuim. Doe over de doos een doek
en laat een kind met zijn hand onder de doek een voorwerp pakken en
voelen. Het kind mag beschrijven hoe het voelt. •
Bedenk met de kinderen verschillende "voelwoorden":
hard, glad, pluizig, kriebelig... Benadruk hoe leuk het is om
verschillende dingen te voelen. •
Eindig het kringgesprek met de vraag hoe kleine beestjes zullen
aanvoelen: het gladde, harde schild van een kevertje, het zachte,
behaarde lijf van een bij, de glibberige, vochtige slak. Kriebelbeestjes
nadoen In
het speellokaal verspreiden de kinderen zich door de zaal. Ze laten zien
hoe kriebelbeestjes lopen of iets doen. U geeft opdrachten, bv.: •
Mieren lopen in de maat (gebruik een trommel ter ondersteuning). •
Een pissebed rolt zich helemaal op als hij bang is. •
Een lieveheersbeestje wandelt heel voorzichtig over een blaadje. •
Een slak gaat héél langzaam vooruit. •
Een vlinder fladdert. •
Een bij vliegt snel van de ene bloem naar de andere. •
Een rups kronkelt over een blad. Lieveheersbeestje
zoekt luizen! Een
van de kinderen is het lieveheersbeestje. Alle andere kinderen zijn
luizen. Het lieveheersbeestje is dol op luizen en probeert ze allemaal
te verzamelen. Als het lieveheersbeestje een luis getikt heeft, brengt
het die naar zijn huisje (een mat of een bank). Maar
er passen slechts drie luizen in zijn huis! Als het lieveheersbeestje
een vierde luis brengt, mag de eerste er weer uit. Wissel vaak van tikker! Crea Kriebelbeestjes
verven Op
het verfbord hangt u groen papier, waarop kriebelbeestjes kunnen worden
geschilderd. Pissebed
|
||||
Lieveheersbeestjes
Introductiegesprek De
kinderen weten nu wat een insect, een insect maakt. Is een
lieveheersbeestje ook een insect? Laat een grote afbeelding van een
lieveheersbeestje zien en laat de kinderen opnoemen en aanwijzen waarom
het lieveheersbeestje ook een insect is. Wat
weten de kinderen van lieveheersbeestjes? Schrijf het op een groot vel
papier. Alles wat ze er deze week nog bij leren, kan erbij geschreven
worden. Lieveheersbeestjes-cijfers Elke
dag (of elke 2 dagen) komt er bij ons een lieveheersbeestje in de klas.
Dit is een bijzonder lieveheersbeestje, want hij heeft niet alleen
stippen op zijn rug, er staat ook een cijfer bij. Het lieveheersbeestje
met nummer 1 nodigt ons uit om op zoek te gaan naar het cijfer 1 maar
ook naar van alles waar er maar 1 van is. Een groepje van 4 kinderen
gaat met de juf (of assistente) en een fototoestel de buurt in om deze
opdracht uit te voeren. Van alle 1-en en dingen waar er 1 van is, wordt
een foto gemaakt. De juf drukt de foto’s thuis af en er wordt in de
klas een collage van gemaakt. De kinderen die gezocht hebben,
presenteren de collage aan de rest van de groep. Zo ook met cijfers 2
t/m 12. Rekenspelletje Welk
beestje heeft de meeste stippen? Van karton maakt u een aantal
lieveheersbeestjes. (Als u ze lamineert, kunt u ze later nog eens
gebruiken.) Bij de lieveheersbeestjes legt u een bakje met knopen (of
fiches) en een (kleuren)dobbelsteen. De kinderen gooien om de beurt met
de dobbelsteen en leggen het aantal gegooide ogen op een
lieveheersbeestje. Wie heeft de meeste stippen? Hulpjes Lees
“Het vervelende lieveheersbeestje” van Eric Carle voor. Vraag de
kinderen daarna of het lieveheersbeestje in het verhaal de andere dieren
goed hielp. Ga hierop door door aan de kinderen uit te leggen dat
lieveheerbeestjes eigenlijk hele goede hulpjes zijn. Vraag ze of ze
weten hoe. Lieveheersbeestjes eten bladluizen. En veel ook! Bladluizen
maken planten ziek. Ook kunnen wij groente waar bladluizen op zitten
niet eten. De lieveheersbeestjes helpen ons dus! Baby Laat
1 van de kinderen een lieveheersbeestje van dichtbij bekijken. Hoeveel
stippen heeft hij op zijn rug? Waarschijnlijk zullen het er 7 zijn.
Vraag de kinderen of het klopt dat het lieveheersbeestje dan ook 7 jaar
is. Eigenlijk is dat niet zo. Laat de kinderen een afbeelding zien van
de levenscyclus van een lieveheersbeestje. Laat ze het zelf uitleggen. De larve van een lieveheersbeestje ziet er uit als een heel ander insect. Misschien hebben de kinderen dit beestje ook wel eens gezien. Het zou leuk zijn als de levenscyclus van een lieveheersbeestje ook in het echt kunnen bewonderen. Via entocare, een centrum in biologische gewasbescherming heb ik een lieveheersbeestjespakket besteld. Je krijgt dan een pakket opgestuurd met daarin drie "buisjes". Eén met eitjes, één met larven en één met volwassen lieveheersbeestjes. Zo kunnen de kinderen de ontwikkeling van de diertjes van dichtbij bekijken. Het was een groot succes! Wel zelf voor voldoende luizen zorgen! Het leukste liedje/versje Lieveheersbeestje, kom bij mij hoeveel jaren oud ben jij? kom maar even hier, want dan tel ik vlug alle stippen op je rode rugVervolgens mocht een kind met de triangel aangeven hoeveel stippen het lieveheersbeestje dat hij/zij in haar hoofd had, op zijn rug had. Lieveheersbeestjes knutselen De ideeën hieronder komen van internet. Zie ook de foto's van onze klas onderaan de pagina, voor nog meer ideeën. |
||||
|
Van een vakje van een eierdoos
|
Van
een platte steen |
Van
papier-maché: Ballonnen opblazen tot ongeveer de grootte van een grapefruit. Papier-machén. Laten drogen. Ballon doorprikken. Doormidden knippen. Je hebt nu twee helften die je kunt beschilderen als lieveheersbeestjes |
||
Van
rups tot vlinder Vraag
de kinderen of ze weten waar vlinders vandaan komen. We gaan eens kijken
of jullie gelijk hebben. Lees
“Rupsje Nooitgenoeg” van Eric Carle voor. Als het boek bij de
kinderen al bekend is (zoals bij mijn groep 1-2b), kan je ook de platen
laten zien en de kinderen laten vertellen of een kind laten voorlezen. Na
het verhaal kan je een kringgesprek houden met de kinderen. Vragen die
tot denken zetten en waarop leuke antwoorden kunnen komen zijn
bijvoorbeeld: -
Waar kwam het eitje (dat in het maanlicht op het blad lag)
vandaan? -
Was dit verhaal echt of is het verzonnen? Hoe weet je dat? -
Wat denk je dat de rups doet als hij in de cocon zit? -
Zou je liever een rups of een vlinder zijn? Waarom? Vat
hierna het verhaal samen. Uit een eitje komt een rups. De rups eet en
eet en eet. Dan spint hij een cocon. Uit de cocon kruipt een vlinder.
Ondersteun dit met handgebaren en nodig de kinderen uit om mee te doen. Eitje:
hand als een vuist Rups:
Hand als een vuist met alleen de wijsvinger omhoog, heen en weer
wiebelen. Cocon:
Wijsvinger
van de ene hand vasthouden met de andere (als een hotdog) Vlinder:
Duimen in elkaar haken en met de handen een fladderbeweging laten zien. Doe
meer met het boek Via
deze link Rupsje
Nooitgenoeg, kom je op een pagina waar plaatjes te vinden
zijn van de rups, alle dingen die hij eet, de cocon en de vlinder. Je
kunt ze uitprinten en bijvoorbeeld gebruiken om de kinderen het verhaal
in de juiste volgorde te laten leggen. Op
vlinderjacht Bekijk eerst even dit document van de vlinderstichting: Met de kinderen naar buiten Bespreek
met de kinderen wat een goede plek zou zijn om vlinders te vangen.
Waarom is dat een goede plek? Ga daarna met de kinderen naar die plek en
zoek naar vlinders. Probeer of je met een net een vlinder kan vangen. De
vlinder kan even bestudeerd worden maar wordt daarna weer vrijgelaten. Goed
Als
vlinders op zoek gaan naar hun favoriete bloemen, dan gaan ze
voornamelijk op de geur af. Maar ze kijken ook heel goed. Geef
alle kinderen een wc-rol. Kijk er doorheen. Wat zie je? En wat zie je
niet? Kijk naar een voorwerp ver weg en heel dichtbij. Wanneer zie je
het voorwerp helemaal? Als u aan één kant van de wc-rol een stukje
gekleurd cellofaanpapier plakt, krijgt alles een andere kleur. Nota
bene. De verschillende wc-rollen kunnen in een bak bewaard blijven en
regelmatig gebruikt worden. Ook buiten is dit een leuke activiteit. Symmetrie De vleugels van vlinders zijn symmetrisch. Dat betekent dat ze precies hetzelfde zijn. Laat dit zien op foto’s van vlinders. Een knutselwerkje kan dit ook illustreren. Vouw een vel papier precies in het midden. Sla het weer open. Teken nu op de ene helft een halve vlinder, dus 1 vleugel. Verf er een mooi patroon op, doe dit wel dik. Vouw nu het papier precies op de vouw weer dubbel met de verf naar binnen toe. Haal de twee helften voorzichtig weer van elkaar. De verf van de ene kant heeft afgegeven op de andere kant waardoor de vinder nu twee symmetrische vleugels heeft. Als de verf droog is, kunnen de lijnen worden verduidelijkt met een zwarte markeerstift. Leukste liedje/versje Rupsje at, rupsje at, rupsje at, een gat in een blad (met vinger langs arm omhoog"klimmen" naar hand en dan tussen duim en wijsvinger weer omhoogkomen) Rupsje spon, rupsje spon, rupsje spon, een cocon in de zon (Spinnen: armen om elkaar heen draaien. "een cocon" handen bij elkaar. "In de zon": zon aangeven in de lucht met beide armen. Vlinder
vrij, vlinder vrij, weg... ben... jij! (op
"Vlinder vrij", vlinder maken van handen door duimen in elkaar
te haken en fladderen. "Weg..." klap, "ben..." klap,
"jij!" klap en dan heel snel je handen achter je rug
verstoppen) Vlinders en rupsen knutselen |
||||
|
Van
koffiefilters en knijpers
|
Van een eierdoos en pijpenragers (chenille)
|
Van
papieren stroken (muizentrapjes)
|
||
|
Van een eierdoos en ijzerdraad. (voor de werkbeschrijving: Klik hier )
|
Van vliegerpapier (zie www.lespakket.net )
|
|||
Welk
insect nu? Laat
de kinderen raden welk insect er nu aan de beurt is. Om ze op weg te
helpen zou je het volgende raadseltje kunnen opzeggen: Ik haal nectar
uit de bloemen en breng het naar de korf. Rara, wie ben ik? Als de
kinderen het geraden hebben lees je het verhaal “de bij en de beer”
van Eric Carle voor. Na
het verhaal kan je de kinderen laten benoemen waarom een bij ook een
insect is. Naast de bekende eigenschappen van een insect heeft een bij
ook nog iets anders. Een bij heeft ook vleugels. Naar aanleiding van
het verhaal kunnen ook de verschillende taken van bijen worden besproken
zoals de darren, de werksters en de koningin. Geurmaatjes Hoe
herkennen bijen elkaar? Wij kijken naar elkaar en zo zien we wie wie is.
Bijen herkennen elkaar op een andere manier. Namelijk door geur. Bijen
van dezelfde kolonie hebben dezelfde geur.
Zo herkennen ze “indringers”. Wij gaan nu een spel spelen
waarbij je, net als bijen, met je neus je maatje moet herkennen. Ieder kind krijgt
een plastic doosje (bijvoorbeeld van fotorolletjes) met daarin een watje
met een specifieke geur erop (bijv: citroensap, pepermunt, augurkensap,
pindakaas, etc.) Van elke geur zijn er twee. Nu moeten ze door de klas
gaan op zoek naar het kind met dezelfde geur als zij. Als je je
geurmaatje gevonden hebt, kom je naast elkaar in de kring zitten. Bijenkorf Als
je het weet te regelen zou je op bezoek kunnen gaan bij een imker.
Misschien is het ook wel mogelijk om een lege bijenkorf te regelen voor
in de klas. Als je met de
kinderen naar een echte bijenkorf kunt gaan kijken, laat ze de bijen dan
eerst zelf observeren. Vervolgens kan je ze op bepaalde dingen gaan
wijzen. Zoals de zakjes aan hun poten waar ze de nectar in opslaan en de
manier waarop ze communiceren: d.m.v. een bijendans. Tijdens de
bijendans bewegen de bijen zich allemaal rond 1 bij. Zo maakt zij
duidelijk waar er voedsel te vinden is. Meer info over de bijendans
hier: Bijendans Bijendans Laat 1 kind een
bloem verstoppen. Dit kind is de bij. Zonder te praten, maar door een
bijendans moet hij/zij nu aan de rest van de groep laten zien waar de
bloem is. In een cirkel naar links lopen, betekent dat de bloem links
van de groep is, in een cirkel naar rechts betekent dat de bloem rechts
van de groep is. Naar voren, betekent voor de groep uit en naar achteren
betekent achter de groep. Het kind dat de bloem het eerste vindt mag de
volgende bij zijn. Honing Bespreek met de kinderen wat bijen doen met de nectar wat ze uit de bloemen halen. Precies! Honing maken! Geef elk kind een cracker met een beetje honing. Het is ook leuk om een verzameling aan te leggen van alles wat van honing of bijenwas gemaakt wordt, of waar het in verwerkt is. Leukste liedje/versje Bijtje
zoemt de kamer rond. Kijk,
nu zit hij op de grond. Maar
ik hoor hem al weer zoemen... O,
daar zit hij op de bloemen. Hé,
waar blijft hij nu zo gauw? Bijen knutselen De ideeën hieronder komen van internet. Zie ook de foto's van onze klas onderaan de pagina, voor nog meer ideeën. |
||||
|
Van een vingerafdruk
|
Van
een papieren bordje
|
Van elzenpropjes of dennenappels Omwikkelen met gele wol (elzenpropjes) of pijpenragers (dennenappel). Vleugels maken van patroonpapier. |
||
|
Een
spin is wel een kriebelbeest, maar geen insect. Waarom niet? Het lichaam
van de spin bestaat uit 2 delen, en niet uit 3 zoals bij insecten. Ook
heeft een spin 8 poten in plaats van 6. De
spin die het te druk had Lees het boek “De
spin die het te druk had” van Eric Carle voor. Vraag de kinderen of
zij denken te weten waarom de spin het zo druk heeft. Bespreek de platen
tijdens het voorlezen. Maak
een web Neem een bol wol. Iedereen zit in een kring. Zeg met de kinderen herhaaldelijk een versje van een spin op of zing een liedje. Ondertussen rol je de bol wol naar een willekeurig kind. Het beginstuk hou je vast. Dit kind houdt ook weer een stukje vast en rolt de bol weer door. Etc. etc. Zo ontstaat er een heel groot web. Het is wel handig als je dit eerst demonstreert met een paar oudste kleuters die begrijpen wat de bedoeling is of dat je zorgt voor de aanwezigheid van een extra volwassene die hier en daar kan helpen. Zelf kan je namelijk niet meer opstaan van je plaats zonder het web te verbreken. Leukste liedje/versje Een spinnetje, een
spinnetje, dat zocht een
vriendinnetje. Het zocht eens hier, het
zocht eens daar: “O, had, ik mijn
vriendinnetje maar!” Een spinnetje, een
spinnetje, Dat zocht een
vriendinnetje. het zocht eens hier, het
zocht eens daar: “O, had, ik mijn
vriendinnetje maar!” Twee spinnetje, twee
spinnetjes, Die zochten een
vriendinnetje. Ze zochten hier, ze zochten
daar: Toen hadden ze elkaar! Spinnen knutselen De ideeën hieronder komen van internet. Zie ook de foto's van onze klas onderaan de pagina, voor nog meer ideeën. |
||||
|
Spinnenweb van ecoline en sterke lijm. van Lespakket.
|
Van
een piepschuimbol en pijpenragers
|
|||
|
Insecten en planten werken
samen Vraag de kinderen naar tuinen.
Wat is een tuin? Wie heeft er thuis een tuin? Denk je dat er insecten te
vinden zijn in de tuin? Waarom? Wat doen zij daar? Enz. Stel je voor: je staat midden
in een groot veld en je ouders staan helemaal aan de andere kant van dat
veld. Hoe kan je er voor zorgen dat ze zien? Kinderen zullen
waarschijnlijk beginnen over roepen. Vraag ze dan wat ze zouden doen als
ze niet konden roepen. Je zou een bord omhoog kunnen houden of een fel
gekleurd T-shirt aan kunnen trekken. Bloemen doen hetzelfde. Ze
kunnen niet praten en dus gebruiken ze kleuren en geuren om insecten aan
te trekken. Bloemen hebben insecten nodig om ervoor te zorgen dat er nog
meer bloemen komen. En om de insecten te bedanken geven de bloemen ze
nectar. Laat plaatjes zien van bloemen
met insecten erop. Zorg voor plaatjes van verschillende bloemen. Onze eigen tuin Leg een tafel vol met
materialen om bloemen mee te maken. Rietjes, pijpenragers, vloeipapier,
gekleurd papier, crêpepapier, vliegerpapier. Laat de kinderen veel,
kleurrijke bloemen maken. Alle bloemen bij elkaar zorgen voor een mooie
tuin! Speurtocht (afsluiting) Maak kaartjes met raadsels over de beestjes die de afgelopen weken behandeld zijn. Bijvoorbeeld: “Als ik groot ben, ben ik een vlinder. Je vindt mij op mijn meest favoriete plekje” (tuin). Met de groep volg je de aanwijzingen op. Je gaat naar de “aangegeven” plek en daar zoeken ze de rups. Bij de rups vinden ze de volgende aanwijzing. Na de speurtocht is er een verrassing voor de kinderen (iets lekkers, iets leuks). Als de groep te groot is om de speurtocht mee te doen, kan je de groep ook in tweeën splitsen. |
||||
|
|
||||